| Woordenboek oude zeilvaart a-g (beschikbaar gesteld door Inge Kok, vertaalster van o.m. de boeken van Patrick O'Brien)
aanhouden 1. in een bepaalde, gewenste
koers zeilen. 2. met dezelfde vaart dezelfde koers blijven zeilen.
aanklampen langszij een vijandelijk
schip komen en eraan vasthaken om het te enteren.
aanliggen zekere koers houden.
aanloden al lodend een plek naderen
waarvan men de diepte kent, om zo de plaats van het schip te bepalen.
aanloeven zie: oploeven.
aanschietende zee hoger wordende golven bij
opkomende harde wind.
aanslaan 1. iets stevig en blijvend
vastmaken. 2. een zeil aan een ra, gaffel of stag bevestigen.
aanzetten de lading met een rambout
achter in een kanon duwen en vastzetten.
aap* bezaansstagzeil.
achterlastig stuurlastig, het achterschip
ligt dieper dan het voorschip.
achterlijk op een achterwaarts gelegen
plaats
achterscheg het scherpe achterste deel
van het onderwaterschip.
achtkant het achtkantige middenstuk
van een ra tussen de twee ronde einden, waaraan alle tuigonderdelen worden
bevestigd.
adelborst cadet bij de zeemacht,
leerling officier.
admiraalsbocht een boot in en fraaie ruime
bocht langszij brengen.
adviesjacht snelvarend schip dat wordt
gebruikt voor het overbrengen van berichten en personen en voor het uitvoeren
van verkenningen.
af- en aanhouden het schip vaart over de ene
boeg naar het land en over de andere naar zee, zodat het feitelijk niet
vooruitkomt.
afdrijven door de werking van wind en
stroom dwars van de gestuurde koers afwijken.
afhouden 1. langzamerhand meer voor de
wind gaan varen. 2. de koers van een schip veranderen om een bepaald punt te
passeren of te vermijden. 3. met een vaarboom of bootshaak een dreigende
aanvaring met een ander schip of de wal proberen te voorkomen.
afknijpen zo scherp mogelijk bij de
wind zeilen.
afloden water met het dieplood peilen en de waargenomen diepten
op een kaart aantekenen.
afmeren het schip door middel van trossen vastleggen aan de wal,
een meerpaal of een meerboei.
afrijden het schip zo neerleggen en de
zeilen zo zetten dat het schip goed in zee ligt en zonder veel water over te
nemen de storm kan doorstaan.
afschaken de parten van een talie
waarvan de blokken te dicht tegen elkaar staan en waaraan geen last hangt, met
de hand over de schijven schuiven om de blokken verder van elkaar te brengen en
de talie gebruiksklaar te maken.
afslechten stiller worden van een
onstuimige zee.
afstoppen een tros of kabel waar kracht
op staat, op een bepaalde manier vastmaken, waardoor er geen kracht meer op de
loos staat en die zonder moeite kan worden belegd.
afvallen afhouden, meer voor de wind
gaan zeilen.
anker een oude inhoudsmaat, 36 liter.
ankerkluis opening in de scheepshuid
waardoor de ankerkabel loopt.
ankerwacht deel van de wacht die bij het
ten anker liggen voortdurend aan dek is om het anker in de gaten te houden.
apostel een van de twee opstaande houten die aan weerszijden
tegen de voorsteven zijn aangebracht.
arsenaal militaire instelling die een
geheel van scheepswerven en magazijnen vormt.
avegaar zeer lange boor waarmee gaten voor bouten en nagels
worden voorgeboord.
aviso zie: adviesjacht.
azimutkompas kompas om hemellichamen te
peilen die niet hoger dan 15° boven de horizon staan.
baar matroos die zijn eerste reis maakt.
baas timmerman.
bak slaan een vierkant zeil slaat bak
wanneer het door een plotselinge windverandering tegen de mast wordt geslagen.
bak zetten zodanig brassen dat de wind
van voren in de zeilen valt en ze tegen de mast drukt.
bak 1. houten schafbalie of schotel waarin het warme eten uit
de kombuis wordt aangevoerd en waaruit ook wordt gegeten. 2. matrozen die samen
uit één bak eten, samen dienst doen etc. (baksmaats). 3. het voorste deel van
het opperdek, van de steven tot een stuk achter de voormast.
bakboord linkerzijde van een schip
wanneer men met het gezicht naar de voorsteven staat.
bakdek dek dat het schip vanaf de voorsteven tot aan of zelfs
voorbij het midden over de gehele breedte van de romp overdekt.
baksen het geschut in de gewenste horizontale positie stellen.
baksjongen jongste matroos van een bak
die belast is met het ophalen van de maaltijden.
bakstag zie: pardoen.
bakstagsgewijs met bakstagwind, dat wil
zeggen dat de wind schuin van achteren inkomt.
bakstagwind wind die ruim, meer dan vier
streken achterlijker dan dwars, in de zeilen waait.
balkweger zware langsscheepse balk aan
de binnenkant van de spanten, die de dekbalken ondersteunt, een belangrijk
onderdeel van het langsscheeps verband.
ballast zware grondstoffen zoals zand, steen, ijzer, lood of
water, die helemaal onder in de scheepsromp worden gestuwd om voor een goede
stabiliteit en/of diepgang te zorgen, of de ligging in het water te verbeteren
of aan te passen.
banker de benaming voor diverse typen driemasters die voor
Newfoundland op kabeljauw vissen.
barca-longa klein roei- en zeilvaartuig.
bark schip waarop de voorste twee masten vierkant zijn getuigd
en de achterste mast langsscheeps
barkas grootste sloep aan boord van een oorlogsschip.
barktuig schip waarop de voorste twee
masten vierkant zijn getuigd en de achterste mast langsscheeps is getuigd.
barring 1. reserverondhouten die aan dek liggen, ook de plek waar
ze liggen. 2. rommel, bagage.
bediening 1. het afschieten van
kanonnen. 2. de hiertoe benodigde manschappen.
begijn vierkant onderzeil aan de onderste ra van de kruismast.
begijnenra onderste ra aan de kruismast
van een volschip.
bekleden een touw of kabel ter
bescherming met garen of leer omwinden.
beleggen een eind touw zodanig
vastmaken dat het niet vanzelf kan losraken maar wel gemakkelijk kan worden
losgemaakt.
Bentinckwant de puttings van de marssteng
zijn niet op de hoofdtouwen of de ondermast vastgezet, maar op een wantstag,
waarbij het stuurboordwantstag op de bakboordrust wordt gezet en vice versa.
Bentinckzeil driehoekig onderzeil dat op
vierkant getuigde schepen aan de grote mast en de kruismast kan worden gevoerd.
bergen de zeilen ophalen en op de ra vastmaken of strijken.
berghout een aantal extra zware
planken die, deel uitmakend van de huid, het schip ter hoogte van een dek als
een hoepel omgeven, een belangrijk onderdeel van het langsscheeps verband.
beslaan opgedoekte zeilen met banden op een boom of ra vastmaken.
beslagseizing band van gevlochten touwwerk
waarmee een geborgen zeil op de ra, gaffel of boom is vastgemaakt.
bestek het vaststellen van de geografische positie van een
schip.
bestek, gegist bestekberekening door de
gestuurde kompaskoers te koppelen aan de door de log aangegeven afgelegde weg,
zonder astronomische waarnemingen.
beting samenstel van balken waar de ankerkabel op wordt belegd.
betingstijlen zware verticale balken die
door verschillende dekken heen lopen en de dragers vormen voor een horizontale
balk waarop de ankerkabel wordt belegd.
bezaan(zeil) het langsscheepse, achterste
gaffelzeil op een schip met meerdere masten.
bezaansschoot aan term die aankondigt dat er
een extra rantsoen sterkedrank wordt uitgedeeld.
bijdraaien een schip onder vol tuig
nagenoeg stilleggen door de kop in de wind te draaien of de zeilen tegen te
brassen.
bijleggen/bijliggen het schip bij storm onder
klein zeil met de kop op de zee en zo hoog mogelijk aan de wind houden, zodat
het weinig weg aflegt.
bijliggen, voor top en takel -
bijliggen terwijl alle zeilen geborgen zijn, waardoor de wind alleen op het tuig
kan inwerken, waarvan de stengen meestal nog geschoten zijn.
bijsteken een kabel vieren of verder
uitvieren.
billen het ronde, overhangende deel van het achterschip boven de
waterlijn.
bitstuk loze steven die soms als bescherming tegen de voorkant
van de voorsteven wordt geplaatst en ook de loefwaardigheid moet verhogen.
bitterend versleten eind oud touw dat
gepluisd en tot schiemansgaren moet worden geslagen.
blinde razeil onder de boegspriet.
bloedloop dysenterie.
blok werktuig dat touw geleidt en waaruit talies of takels
worden samengesteld; er zijn talloze soorten blokken die telkens, afhankelijk
van hun opbouw en functie, een eigen naam hebben.
Blue Peter een blauwe vlag met een wit
vierkant, de letter P, die aangeeft dat een schip op vertrek ligt.
bocht 1 gebogen deel van een touw dat rond ligt of over
schijven loopt. 2. iedere ring van touw in een opgeschoten tros.
bodem, vuile de bodem is vuil wanneer
schelpen en planten zich erop hebben vastgezet, wat de vaart belemmert.
boegen koersen, varen.
boegseertros tros waaraan een schip door
één of meer roeiboten wordt voortgesleept of geboegseerd.
boegseren een schip met een of meer
roeiboten voortslepen.
boegspriet vast rondhout dat
langsscheeps, in een min of meer opwaartse hoek over de voorsteven buiten de
scheepsromp steekt.
boelijn touw waarmee het loeflijk van razeilen bij het aan de
wind zeilen strak wordt getrokken om het zeil beter wind te laten vangen.
bok twee- of driebenig hijstoestel voor zware lasten.
bom schijfvormige stop in een vat
bonnet reep zeildoek die aan de onderkant van een zeil wordt
geregen om het zeiloppervlak tijdelijk te vergroten.
boom 1. drijvende balk die de toegang tot een haven of
vaargeul afsluit. 2. stevige spaak die in de kop van een kaapstander wordt
gestoken en waarmee deze wordt bediend. 3. rondhout dat met één kant tegen de
mast is opgehangen en waaraan de onderkant van een langsscheeps zeil is
vastgemaakt. 4. zie: kluiverboom.
boomtouw* touw dat de uiteinden van de
spaken van een gangspil met elkaar verbindt om te voorkomen dat ze tijdens het
winden uit de gaten in de kop van het spil zouden vallen.
boord, te - stellen een kanon met behulp van
talies naar buiten trekken tot de loop uit de geschutpoort steekt.
bootsman onderofficier die leiding
geeft aan de matrozen en verantwoordelijk is voor alles wat het schip betreft,
zeilen, tuig, ankers, verf etc.
boord bovenwaterschip.
bootsmansstoeltje zitplankje dat aan een enkele
takel of val hangt, voor werkzaamheden aan het tuig waar geen normale
staanplaats is.
borg 1. zware strop waarvan er een of twee om het midden van
een ra worden gelegd om die aan de masttop te hangen. 2. elk touw waarmee een
onderdeel extra wordt bevestigd om verlies tegen te gaan als de oorspronkelijke
ophanging het zou begeven. Zo moet een borgstag voorkomen dat de stag bij een
breuk naar beneden valt.
borgketting ketting waarmee de onderra
wordt beveiligd tegen losslaan (wordt geborgd) om te voorkomen dat die naar
beneden zou vallen als het zware touw waarmee de ra's worden gehesen en
gestreken, wordt doorgeschoten.
borgstag extra stag om te voorkomen
dat het stag naar beneden zou vallen als het door een schot wordt geraakt.
bot vangen bij het roeien de riem over
in plaats van in het water slaan.
bottelier administratief officier die
verantwoordelijk is voor de proviand en plunje en de verdeling daarvan.
botteloef boom op het voorschip waarop
de hals van een vierkant fokkenzeil wordt uitgehouden.
bout, blinde bout die niet dwars door een
verbinding heen gaat en dus maar aan één kant te zien is.
boutkogel twee halve kanonskogels die
met de platte zijde naar elkaar toe door een stang zijn verbonden. Zo'n kogel
gaat na het afvuren slingeren en wordt daarom gebruikt om schade aan het tuig en
de rondhouten te veroorzaken.
boutziek de bouten en spijkers van het
schip zijn zo roestig dat ze los zitten, waardoor het verband erg is verzwakt en
er lekken kunnen ontstaan.
bovendek het bovenste dek of hoofddek,
ook wel opperdek of verdek genoemd, dat zich over de hele lengte van het schip
uitstrekt. De dekken erboven, de bak en de kampanje e.d., lopen slechts over een
deel van de scheepslengte.
bovenrol lijst van personen die niet
tot de vastgestelde sterkte van de bemanning behoren.
bovenrolsgast iemand die boven de sterkte
aan de bemanning is toegevoegd.
bovenwaterschip het gedeelte van de
scheepsromp dat zich boven de waterlijn bevindt.
bovenwinds aan de zijde waar de wind
vandaan komt.
bramstaglopers kapucijners.
bras touw of takel waarmee een ra in het horizontale vlak
wordt gedraaid (brassen).
brassen* de ra in het horizontale vlak draaien.
breedte de langs een meridiaan, in graden gemeten afstand ten
noorden of ten zuiden van de evenaar.
breek het eruit bevel om het anker uit de
grond te trekken en verder omhoog te hieuwen.
breeuwen gaten, scheuren en naden
tussen planken etc. met werk of katoen dichten en vervolgens met pek waterdicht
afsluiten.
breezijde al het geschut aan één kant
van een oorlogsschip; wanneer een breezijde in één keer wordt afgeschoten,
wordt ‘de volle laag’ gegeven.
breker zware golf die door de wind of een dicht onder de
waterspiegel liggende hindernis hoog wordt opgestuwd en in elkaar stort. Ook een
zware golf die tegen een schip aan loopt en als een stortzee over het dek raast.
brik schip met twee vierkant getuigde masten en een
langsscheeps zeil (brikzeil) achter de grote mast.
brikzeil bezaan op een brik.
britsen met een eind touw op de rug en of broek slaan.
broeking 1. sterk zwaar touw waarin
een kanon wordt opgevangen dat door de klap van het schot achteruitloopt. 2.
brede platte, uit dun touw geweven band die aan beide uiteinden voorzien is van
een oog en wordt gebruikt om boten stevig vast te sjorren.
broodwinner langwerpig hulpzeil dat op
een vierkant getuigd schip wordt bijgezet achter het gaffelzeil van de achterste
mast.
buik het gewelfde middelste deel van een zeil dat onder
invloed van de wind bol gaat staan.
buikgording touw dat via een blok aan de
ra langs de voorkant van het zeil naar het onderlijk loopt en waarmee dat
onderlijk naar de ra kan worden opgehaald als het zeil moet worden geborgen.
buiswater fijn stuifwater dat over het
voorschip opspat en over het schip waait.
bus metalen buis in de schijf van een blok waar de nagel
doorheen komt.
bus, blikken bus met kogels, spijkers en
schroot die na het afvuren uit elkaar barst, bijzonder gevaarlijk voor bemanning
en tuig.
cardanophanging twee concentrische, om
loodrecht op elkaar staande assen draaibare ringen, de cardanringen, waardoor
iets ongeacht de ligging van het schip horizontaal wordt gehouden.
carronade kort kanon dat een kogel van
korte afstand met een grote vernietigingskracht kan afvuren.
cartelschip schip dat krachtens een
overeenkomst tussen oorlogvoerende partijen is belast met het overnemen van uit
te wisselen krijsgevangenen of het overbrengen van onderhandelingsvoorstellen.
casseren een officier ontslaan.
centenaar honderd oude ponden.
chronometer tijdmeter die wordt gebruikt
voor het bepalen van de geografische lengte waarop een schip zich bevindt door
de plaatselijke tijd te vergelijken met die van Greenwich.
commandeur 1. rang van opperofficier,
bevelhebber van een eskader. 2. stukcommandant, de commandant van de bediening
die het kanon richt en afvuurt.
commissie 1. last, opdracht door een
openbaar gezag verleend. 2. overdracht van zeker gezag en het stuk waarin deze
vervat is.
contingentmensen mensen die behoorden tot de
verplichte bijdrage van een stad of streek aan de krijgsmacht.
contrasein sein waarmee een schip
aangeeft dat een ontvangen sein goed is begrepen.
daags anker een van de twee grote ankers
die steeds klaar voor gebruik zijn.
dagge eind touw waarmee iemand wordt gestraft (gebritst).
dagman bemanningslid dat niet bij een van de wachten is
ingedeeld en alleen overdag werkt.
davit hijstoestel voor het aan boord brengen of te water laten
van een sloep of boot.
deinzen achteruit varen of drijven.
dekofficier op een oorlogsschip een
hogere onderofficier zoals de bootsman etc.
deviatie van het kompas de hoek
die de kompasnaald door de krachten van het scheepsmagnetisch veld met de
magnetische meridiaan maakt.
dhow Arabisch vrachtzeilschip.
dienstige wind wind die uit een gunstige
richting waait ten aanzien van de route die het schip moet nemen.
dissel soort bijl.
doft dwarse bank in een roei- of zeilboot.
dogger bepaald soort vissersboot voor de kabeljauwvangst.
dolboord deel van de bovenste,
langsscheepse versterking van een sloep.
dompel mengsel van kalk, fijngehakt werk (geplozen touw) en
olie, waarmee naden in het dek en in rondhouten worden gedicht.
dompen de loop van een kanon op een punt onder de horizon
richten.
doodzeilen met zoveel vaart tegen de
stroom of het getij in zeilen dat het schip toch verder komt.
doorhalen een touw inhalen tot het
strak komt te staan.
doorschieten schip of tuig zo zwaar
beschieten dat het vol gaten zit en grotendeels of geheel onbruikbaar is.
doorstaan van het tij als het tij na de kentering,
de overgang tussen hoog- en laagwater, goed de andere kant op stroomt.
doorzetten het doorbuigen zonder te
breken van onder andere een rondhout, waardoor een blijvende vervorming kan
ontstaan.
dory kleine, voor en achter symmetrische sloep waarvan er een
aantal in elkaar gestapeld op het dek van Amerikaanse visserschoeners stonden.
Ze werden door een of twee man gebruikt om met geaasde lijnen op kabeljauw te
vissen.
draaibas licht kanon dat in alle
richtingen kan schieten.
draaireep dik touw dat deel uitmaakt
van de takel die wordt gebruikt om de mars- en bramra’s te hijsen.
drachme oud medicinaal gewicht, ongeveer 3,9 gram.
dracht de rechtlijnige maximale afstand die een kogel kan
afleggen nadat hij is afgeschoten.
dragen (van zeilen) bol staan door de wind.
drempel 1. zware horizontale balk die de boven- of onderkant van
een geschutpoort vormt. 2. een ondiepte of bank die door het bezinken van grind,
modder etc. voor of in de monding van een rivier of haven ontstaat.
driedekker een schip met drie
geschutlagen.
drift het dwarsscheeps afdrijven van een schip.
drift, op {gs-} raken 1. wegdrijven omdat het schip
is losgeslagen. 2. uit zijn evenwicht raken en vreemde dingen gaan doen.
drijfanker zware zeildoekse zak die bij
zware zee aan een lange lijn wordt uitgevierd om de kop van het schip op zee te
houden.
drossen deserteren, zonder toestemming en zonder af te monsteren
het schip verlaten.
druif knop op de achterkant van de loop van een kanon.
druif/druifschot bus met ronde kogels die na
het afvuren uit elkaar barst en grote schade aanricht.
druk op het roer de kracht van het
langsstromende water op het roer van een varend schip, waardoor er gestuurd kan
worden.
dubbelen de scheepsromp beslaan met
koper-, zink- of loodplaten, de dubbeling, om haar te beschermen tegen paalworm
en aangroei.
duim lengtemaat van ongeveer 2,5 centimeter.
duinkerker zware, ruige zeemansjas.
dwars loodrecht op de lengteas van het schip.
dwarsgetuigd zie: vierkant getuigd.
dwarsvallen onvrijwillige wending van een
schip dat door een achter invallende zee of slordig sturen dwars op de golven
komt te liggen.
dwarszaling zie: zaling.
eenschijfsblok blok met slechts één
schijf.
Eiland, het Madeira.
eind/end elk soort touw, niet alleen
het uiteinde van een touw.
elevatie hoek die de as van de ziel of
het inwendige van een kanon met het horizontale vlak maakt.
elleboog in de kabels bij twee uitgezette
ankerkabels is elke kabel door het zwaaien van het schip eenmaal over en onder
de andere gedraaid.
enfileren een schip langsscheeps
doorschieten.
enterdreg klein werpanker met puntig
uitgesmede en van een weerhaak voorziene handen, waarmee een aangevallen schip
wordt vastgegrepen.
enteren 1. in het want klimmen, ook wel openteren genoemd. 2. een
schip aanklampen en beklimmen om het te veroveren.
equinoctiaalstormen buitengewoon zware stormen
die optreden rond de nachteveningen (21 maart en 23 september).
equipage scheepsbemanning met
uitzondering van de officieren.
equipagemeester ambtenaar belast met het
toezicht op de uitrusting van schepen in een arsenaal of op een werf.
ezelshoofd blok boven aan een mast of
steng waardoor de tegen die mast of steng geplaatste volgende steng wordt
gesteund.
fats 1. bonnet, extra stuk zeildoek dat onder een marszeil
wordt aangeregen. 2. onderbonnet die onder een reeds aangebrachte bonnet wordt
geregen.
feloek klein roei en zeilvaartuig van de Franse
Middellandse-Zeekust.
fiscaal ambtenaar die bij een zeekrijgsraad het Openbaar
Ministerie waarneemt.
flensen d walvis ontdoen van zijn speklaag.
flerecijn jicht, reumatiek
fluit een goedkoop en efficiënt type Hollandse koopvaarder met
drie masten, dat veel lading kan vervoeren en een betrekkelijk kleine bemanning
en weinig tot geen geschut heeft.
fok het onderzeil aan de voormast van grote schepen.
foksel ruimte onder het bakdek waar de bemanning verbleef.
foksellied zeemanslied dat de matrozen
in hun vrije tijd ter ontspanning zongen.
foksie een streng samengedraaide garens waarvan seizings (platte
strengen) en matten worden gevlochten.
frater helper van de chirurgijn die tevens barbier van de
bemanning is.
fregat relatief licht en snel oorlogsschip met drie vierkant
getuigde masten en een gaffelzeil aan de kruismast, dat tot zestig stukken
voert.
gaffel rondhout dat schuin omhoogloopt en tegen de achterkant
van een mast steunt.
gaffelzeil trapeziumvormig zeil dat aan
de gaffel wordt bevestigd.
galjoen vaak versierde, tot ver voor de voorsteven reikende
uitbouw van het voorschip die de boegspriet steunt.
galjoot kustvaarder uit de 17de tot en met de 19de eeuw.
gang 1. afstand die een laverend schip zonder te wenden
aflegt. 2. reeks planken die op dezelfde hoogte deel uitmaken van de
scheepshuid.
gangspil kaapstander, spil die met
behulp van handspaken door mankracht word aangedreven en wordt gebruikt voor
zwaar werk, zoals het hieuwen van het anker.
garenstrop een extra sterke strop die
uit een aantal garens is samengesteld.
gast volwaardig zeeman die bepaalde welomschreven taken
uitvoert.
geerde lijn die vanaf de nok of het eind van een gaffel naar dek
loopt en dit rondhout in bedwang houdt en in de juiste stand zet.
gei 1. touw dat een rondhout zijdelings moet stagen. 2.
lopend touw aan de achterkant van het zeil waarmee het zeil wordt opgehaald of
gegeid.
gei de halzen en de schoten commando
waarop bij het overstag gaan de fokkenhals en de grote schoot worden losgegooid.
geien zeil ophalen of gorden zodat het minder wind vangt.
gelijklastig het schip ligt voor even diep
in het water als achter.
gemak wc in de boeg voor de matrozen.
geschutdek het dek waar het zwaarste
geschut staat opgesteld en dat daarom ook batterijdek wordt genoemd; bij
uitbreiding alle gesloten dekken waar een batterij staat opgesteld. Zo heeft een
tweedekker één geschutdek en een driedekker twee.
geus 1. kleine vlag met een bijzonder kenteken, landswapen
etc., die op de boegspriet, de blindensteng of het voorschip wordt gevoerd. 2.
prismatisch lichaam van gegoten ruw ijzer.
geussteng vlaggenstok die op de
blindensteng wordt geplaatst om er de geus aan te hijsen.
gezangboek zachte zandsteen waarmee het
dek wordt geschuurd (psalmzingen).
gezondheidspas geschreven bewijsstuk dat er
geen besmettelijke ziekten aan boord waren bij vertrek uit de vorige haven.
giek 1. lange, smalle, lichte boot voor de commandant. 2. boom
waarmee de schoot van een gaffelzeil wordt uitgehouden.
gieren steeds van de koerslijn afwijken door slecht sturen.
gieteling prismatisch lichaam van
gegoten ruw ijzer.
gijpen het al dan niet opzettelijk overzwaaien van een
gaffelzeil van het ene naar het andere boord. Een onverwachte gijp kan zeer
gevaarlijk zijn.
gilling hoge halfronde, soms ook hoekige overgang van het ene
deel van de verschansing naar een volgend, lager gedeelte.
gladdekschip een schip waarvan het
bovendek ononderbroken van voor- tot achtersteven doorloopt.
glas 1. zandloper. 2. tijdsruimte van een halfuur, die met een
slag op de bel kenbaar wordt gemaakt (glazen slaan); het etmaal wordt aan boord
verdeeld in zes wachten van vier uur en elke wacht in acht glazen. 3.
verrekijker. 4. barometer; bij een vallend glas daalt de barometer.
gloeiende kogel ijzeren kogel die gloeiend
wordt gestookt om het doel in brand te schieten.
gorden een zeil gedeeltelijk met bepaalde touwen, gordings, naar
de ra, mast of gaffel halen, waardoor het minder wind vangt en gemakkelijker te
reven of te bergen is.
gording lopend touw aan de voorkant van een zeil waarmee het zeil
wordt opgehaald, gegeid of gegord.
groene zee zware, massieve golf water.
grommer ring van touw.
grond, van de kouwe {gs-} iemand
die als matroos voor de mast is begonnen en is opgeklommen tot officier.
grond voelen wordt gezegd als men bij het
loden voelt dat het lood grond raakt.
grond, vuile {gs-} gevaarlijke grond om over te
zeilen of waarin het anker niet houdt.
grootzeil op vierkant getuigde schepen
het onderste razeil aan de grote mast, op langsscheeps getuigde schepen het
gaffelzeil aan de grote mast.
Gunterschaal platte liniaal waarop verschillende lijnen en schalen zijn gegraveerd en waarmee men met een passer allerlei berekeningen kan uitvoeren.
h-m
#begin
|