| Woordenboek oude zeilvaart n-z (beschikbaar gestel door Inge Kok, vertaalster van o.m. de boeken van Patrick O'Brien)
home Bartho Kriek
naaipalm leren band rond de middenhand
met een gat voor de duim; ter hoogte van de muis van de duim is een geribbelde
ijzeren plaat ingenaaid waarmee de zeilnaald wordt opgedrukt.
naald soort uitstekende gang die over de hele lengte van het
schip op gelijke hoogte met het bovendek tegen de spanten werd gezet.
nagel 1. een metalen of houten spijker. 2. as waar de schijf
van een blok omheen draait.
nagelbank zware platte balk rond de
masten of aan de binnenkant van de verschansing die voorzien is van korvijnagels
waarop het lopend touwwerk wordt belegd.
nautische dag een periode van ’s middags
twaalf uur tot de volgende middag twaalf uur.
neerhaler touw dat het strijken van een
zeil moet vergemakkelijken.
neut een houten rol of balk die in twee naast elkaar
geplaatste delen valt en zo voorkomt dat ze gaan schuiven.
nok enigszins dunner uiteinde van een rondhout.
nokseizing bindsel waarmee het hoekoog
van een vierkant zeil aan de nok of het uiteinde van de ra wordt bevestigd.
nommerstuk houten klamp die onder de
masttop aan beide kanten tegen de mast is gebout en de langszalings moet dragen.
okshoofd oude inhoudsmaat, ongeveer
228 liter.
omwoelen een touw rond twee of meer
delen wikkelen.
onderbonnet of fats, extra stuk zeildoek
dat onder een reeds gevoerde bonnet wordt aangeregen.
onklaar zwaaien/onklare kluizen situatie
waarbij een ten anker liggend schip zo ronddraait dat de ankerkabels verward
raken.
onklaar anker uitgezet anker waarvan de
kabel rond de stok of de arm is geslagen.
ons oud gewicht, een twaalfde deel van een pond, ongeveer 28
gram.
ontmeren het wegnemen van de trossen
waarmee een schip vastligt om te vertrekken. Ook het lichten van eventuele extra
ankers alvorens ‘ankerop te gaan’ of weg te varen.
ontredderd zodanig gehavend en in
wanorde dat het schip niet meer kan varen.
onttuien het tuianker lichten om onder
zeil te gaan.
oor, op een - liggen sterk overhellen.
op en neer het anker is uit de grond
gesprongen en hangt loodrecht onder de kabel, terwijl de onderkant nog net de
grond raakt.
op en neer houden tijdens het bijliggen met
korte slagen laveren zonder vooruit te komen.
opbouw in ruime zin alles wat hoger dan het bovenste dek is,
zoals de bak en de kampanje e.d., in enge zin alles wat boven op het dek staat,
zoals dekhuizen, koekoeken etc.
opbrengen het want over de masttoppen
leggen en rondhouten en andere tuigonderdelen ophijsen om ze op hun plaats te
tuigen.
opdoeken, in een pop een vierkant zeil zo tegen de
ra halen dat de buik van het zeil in een zogenaamde pop midden en boven op de ra
ligt.
opdoeken, met een pop in de mars een zeil
zo opdoeken dat het grootste deel van de buik als een zuil rond de voet van de
marssteng wordt gebonden, waardoor de ra's veel slanker lijken dan bij de
gebruikelijke wijze van opdoeken.
opdoeken de zeilen ophalen en op de ra
vastmaken of strijken.
openteren
in het want klimmen.
opgang ladder of trap die van het ene naar het andere dek voert.
opkorten inhalen van de ankerkabel
voor het anker wordt gelicht.
opkruisen beurtelings over de ene en de
andere boeg zeilen om zich tegen de wind in op te werken.
oplanger onderdeel van een spant, van
de dwarsscheeps geplaatste verbanddelen die mede het geraamte van de scheepsromp
vormen.
opleggen uit de vaart nemen.
oploeven een schip dat voor de wind
zeilt, meer tegen de wind in sturen.
oplopen een ander schip inhalen en voorbijlopen.
opnemen met behulp van peilingen en waarnemingen alle voor de
zeevaart nuttige gegevens van een bepaalde kust verzamelen en in kaart brengen.
opper tegen de kracht van de wind en golven beschutte ruimte
onder de bovenwinds gelegen opperwal van een eiland e.d.
opperdek het bovenste ononderbroken
dek.
opschieten kabels of touwwerk in
regelmatige bochten leggen.
opslaan op de trommel slaan om een sein te geven.
opsteken 1. een schip door oploeven
scherp aan de wind leggen. 2. een touw verlengen door er en ander met een steek
of knoop aan vast te maken. 3. een meerkabel, schoten, toppenants of een stopper
meer loos geven, loslaten, laten zakken of vieren.
optuigen 1. een schip voorzien van
masten, staand en lopend want, zeilen e.d. 2. in het algemeen iets klaarmaken
voor gebruik.
opzet een instrument waarmee in verband met de vizierkorrel de
juiste richthoek wordt verkregen waaronder op een bepaalde afstand moet worden
gevuurd.
overal alle hens, uitroep om iedereen, ook wie geen wacht heeft,
aan dek te roepen.
overfluiten eerbetoon bij het aan boord
komen of van boord gaan van belangrijke mensen, dat vergezeld gaat van
fluitsignalen.
overgaan toestand waarbij een schip
door schuivende lading of felle wind op zijn zij komt te liggen en dreigt te
kapseizen.
overhalen een scheepsromp, tuig etc.
grondig nazien op gebreken en die herstellen.
overlast overtollige, hinderende,
nutteloze of te omvangrijke voorwerpen of tuigonderdelen aan boord van een
schip.
overleggen hoofdtouwen e.d. over de top
van de mast of steng leggen om het schip op te tuigen.
overloop balk of stang die
dwarsscheeps laag boven het dek van boord tot boord loopt en die de schoottalie
of schoot van een stagfok, gaffelzeil of boomzeil moet vasthouden en bij het
wenden moet leiden.
overmast* te hoog van mast.
overnaads hierbij liggen de huidplanken
dakpansgewijs over elkaar heen.
overstag gaan over een andere boeg gaan
zeilen, wenden.
paalmast mast waarvan de verschillende
onderdelen, de ondermast en de stengen, niet uit afzonderlijke delen maar uit
één stuk bestaan.
paalsteek bepaalde steek om in het
uiteinde van een touw een oog te maken dat niet dichtschuift.
paalsteek, lopende paalsteek waarvan het oog om
de eigen lijn wordt gelegd, waardoor het zo gevormde oog kan worden
dichtgetrokken.
paard touw onder de ra’s, waarop de matrozen staan bij het
behandelen van de zeilen.
paardenbreedten subtropische gordel met
lichte, veranderlijke, variërende winden, hoge druk en een onbewolkte hemel; zo
genoemd omdat de paarden er vroeger vaak bezweken doordat de schepen maar niet
verder kwamen.
paardenlijn een zes tot twaalf duim dikke
tros.
pakketboot een schip dat een vaste
verbinding onderhoudt om personen, post en goederen te vervoeren.
pallen met pennen of klampen (pallen) vastzetten.
parallel cirkel op de aardbol
evenwijdig aan de evenaar die alle plaatsen met dezelfde breedte verbindt.
pardoen hoofdtouw dat de stengen zijdelings en achterwaarts
steunt.
parlementairvlag vredevlag, witte vlag die
wordt gehesen om te onderhandelen en krijgsgevangenen uit te wisselen en
dergelijke.
parlevinker kleine boot die allerlei
koopwaar komt venten.
part, lopend - het deel van een loper van
een takel dat over de schijven van de blokken loopt en dus beweegt als men eraan
trekt.
part, vast- het uiteinde van de loper van
een takel dat bijvoorbeeld aan een vast punt of een blok van de takel vastzit.
partenhouder persoon die een deel van de
kosten voor het uitrusten van een walvisvaarder betaalt.
passagieren* voor ontspanning en vermaak
andere schepen op zee bezoeken of aan land gaan.
patrijspoort vierkant poortje in de
scheepswand om licht te brengen in hutten of verblijven.
perigeum* het dichtst bij de aard
gelegen punt in de baan van een hemellichaam.
Petrus, bij - aan de bak zitten in de
hemel zijn.
piek de driehoekige ruimte onder het dek in het scherp
toelopende voor- of achterschip die als bergruimte wordt gebruikt.
pikken met een haak vasthechten.
pinas tweede grootste boot van een oorlogsschip.
pink koopvaarder met een smal hoog achterschip en fregattuig.
pinkompas een instrument waarmee de
gezeilde koers en de afgelegde weg grafisch kunnen worden opgetekend en dat
helpt bij het bepalen van de koppelkoers.
pint oude vochtmaat, ruim een halve liter.
pisbak bak achter de kluisgaten waarin het druipwater van anker
en trossen wordt opgevangen en waarin ook vaak klein vee wordt gehouden.
plat slaan zo sterk overhellen dat het
zeil tot het ater komt en het dek bijna verticaal staat.
platboomd met een platte of vlakke
bodem.
platlood stuk lood op het zundgat van
een kanon om de kamer droog te houden.
platte koers koers waarbij men aanneemt
dat het deel van de aarde waar men vaart plat is, waardoor de meridianen
parallel lopen in plaats van convergeren.
plechtanker een van de twee grote ankers
die bij de fokkenrust worden gevoerd om bij storm te worden uitgezet, ter
vervanging van het daags anker als dat verloren zou gaan. Het wordt slechts in
noodgevallen gebruikt.
pluimgraaf de matroos die toezicht houdt
op het meegenomen levende vee, zoals geiten, varkens, kippen etc.
pointeren richten.
polakker koopvaardijschip met twee of
drie masten die uit één stuk bestaan.
pompzode houten kast rondom de pomp om
deze vrij te houden en te beschermen.
pond gewichtseenheid, het oude pond is iets lichter dan het
moderne pond.
-ponder negen-, vierentwintigponder etc., geeft een kogel van dat
gewicht aan en ook het kanon dat dergelijke kogels afvuurt.
ponjaard dolk.
pop buik, het pak zeildoek dat bij een geborgen zeil in het
midden van de ra is gestapeld.
potdeksel balk of dikke plank die de
koppen van de verbanddelen van de romp afdekt en bijdraagt tot het langsscheeps
verband.
praaien 1. het doorgeven van de waarnemingen van de uitkijk naar
het dek. 2. een schip aanroepen en om nadere inlichtingen vragen over
nationaliteit, bestemming etc.
practica verlof van de wal om binnen
te komen na ontslag uit quarantaine.
presenning uit dik geteerd zeildoek
vervaardigd kleed om iets waterdicht af te schermen.
presgang groep marinematrozen die
onder leiding van een officier aan land personeel gaat pressen, d.w.z. door
middel van list en geweld dwingen dienst te nemen bij de vloot.
pressen zeelui onder dwang en zelfs met geweld dwingen om dienst
te nemen bij de marine; dit gebeurt door een presgang.
prijs een vijandelijk schip dat is veroverd of prijs is
gemaakt.
prijsgeld het bedrag dat de verkoop van
een prijs oplevert en dat volgens vaste regels wordt verdeeld.
prijzenhof officieel lichaam bij de
Admiraliteit dat de opgebrachte prijzen verkoop en het prijsgeld verdeelt.
prop bundel hooi, oud touw etc. die de lading van een kanon in
de kamer opsluit.
proportionaalpasser rekeninstrument bestaande uit
twee linialen met schaalverdelingen, die scharnierend met elkaar zijn verbonden.
provoost onderofficier belast met het
toezicht op gevangenen en het handhaven van tucht en orde; hij staat onder de
wapenmeester.
psalmboek gebakken gele steen waarmee
men het dek schuurt.
puts emmer.
putting* schuine stang- of kettingverbinding die onderaan tegen
het boord zit en bovenaan tegen een rust of de verschansing. Via de puttings en
de jufferblokken worden de hoofdtouwen langs de rusten aan de romp bevestigd.
puttings/puttingwant de touwen die de verbinding
tussen het stengenwant en de mast vormen en van de rand van de mars naar de
ondermast lopen, waar ze zijn bevestigd op de puttingband, een ijzeren band rond
de mast.
ra lang, zwaar rondhout dat kruiselings tegen de mast is
gehangen en waar zeil aan wordt gevoerd.
rak 1. de afstand tussen twee punten die men in één slag
kan bezeilen zonder overstag te hoeven gaan. 2. bak met uithollingen voor kogels
aan weerszijden van een stuk. 3. beweeglijke verbinding van een ra, gaffel of
zeil met de mast.
rambout houten klos op een lange steel waarmee de lading van een
kanon in de loop wordt geramd.
rang indeling van oorlogsschepen op basis van het aantal
gevoerde stuken.
rank een schip dat snel overhelt en traag slingert met een
lange slingertijd.
ranok uiteinde van een ra.
rantsoen 1. losgeld. 2. vastgestelde
hoeveelheid voedsel en drank die dagelijks aan elk bemanningslid wordt
verstrekt.
rantsoenhout het achterste spant van een
houten schip.
recht op en neer het anker is uit de grond
gesprongen en hangt loodrecht onder de kabel, terwijl de onderkant nog net de
grond raakt.
rechtwandig* de zijden van het schip zijn
recht, verticaal of bijna verticaal.
rede een min of meer beschermde plaats waar een schip ten
anker kan gaan.
ree verkorting van `roer naar lij', volgt als bevel op `klaar
om te wenden'.
reep touw dat door blokken of schijven wordt geschoren en
dikker is dan een duim, 2,5 centimeter.
regeling enkele gebogen balken die de
verschansing en zijdelings afsluiting van het galjoen vormen.
reven zie: rif.
richten waterpas of vlak brengen.
riemen, op - het roeien wordt gestaakt en
de roeiers keren terug naar de houding van riemen toe.
riemen over de riemen worden dwarsscheeps
over de boot gelegd, waarna de roeiers kunnen rusten door erop te steunen.
riemen toe commando waarop de roeiers
hun riemen nemen en in de dol leggen, waarna het roeien direct kan beginnen.
rif strook in een zeil die bij te sterke wind met behulp van
banden, rifknuttels, kan worden ingenomen om te reven of het zeiloppervlak te
verkleinen.
rijden achter het anker wordt
gezegd van een schip dat op een ruwe zee voor anker ligt en zwaar stampt.
ringbout bout met aan de bovenkant een
oog met een losse ring, waar een blok of haak in kan worden gepikt of een touw
aan kan worden vastgemaakt.
rinkelwerk overdadig licht snij- en
beeldhouwwerk, vooral op het achterschip, het galjoen en rond ramen en poorten.
roe tien meter.
roede langsscheeps rondhout waaraan een latijnzeil hangt.
roerganger de man die aan het roer staat
en de koers stuurt die door de schipper of stuurman wordt opgegeven.
roerhaak een zware pen met twee
metalen strippen die aan weerszijden van het roer zijn vastgebout en waarmee het
roer in de vingerlingen aan de achtersteven wordt opgehangen.
rol lijst met de opvarenden of de taakverdeling van de
bemanning (monsterrol, wachtrol e.d.); mensen die ‘boven de rol’ zijn, staan
niet op de monsterrol, wat inhoudt dat de Admiraliteit niet voor hen
verantwoordelijk is.
rolpaard rollend onderstel van een
scheepskanon.
rolschot kogel die met een te hoge
elevatie is afgevuurd, het wateroppervlak raakt en daardoor enkele keren
opspringt alvorens eventueel het doel te raken.
rolschot* kanonschot dat in een
scherpe hoek t.o.v. het doel wordt gelost, waardoor de kogel erop afschampt en
een andere richting krijgt of de zee raakt en een paar keer stuitert voor hij
het doel raakt.
rondhout alle ronde houten die tot het
tuig behoren, zoals masten, stengen, ra’s etc.
rondslag bepaalde manier om een eind
touw op iets vast te zetten.
rotkoorts vlektyfus.
rotmok stoofschotel van restjes vlees en uien.
ruggenpaard of handleider, lijn die bij
storm langsscheeps over het dek wordt gespannen en waaraan men zich bij het
lopen over dek kan vasthouden om niet overboord te slaan.
ruime wind meer van achteren dan dwars
invallend, gunstige wind.
ruimgast matroos die verantwoordelijk
is voor de orde in het ruim en de bergplaatsen, voor de watervaten en de ballast
e.d.
ruimnaald* lange puntige priem om het
zundgat van een kanon schoon te maken.
ruimschoots de wind staat achterlijker
dan dwars en waait ruim in de zeilen.
ruimte winnen tegen de wind in van een kust
wegzeilen om op voldoende afstand te komen en niet aan lagerwal te raken.
ruimte hebben zich op voldoende afstand van
het land of ondiepten bevinden.
rust zware houten plank die horizontaal uit de huid van het
schip steekt en dient om de hoofdtouwen te spreiden en te zorgen dat het want de
verschansing niet raakt.
scepter houten of ijzeren stijl die deel uitmaakt van de reling.
schaal houten plaat die ter versterking en ter bescherming tegen
schuring op de mast wordt gezet.
schaftbalie bak waarin het warme eten uit
de kombuis wordt aangevoerd en waaruit ook wordt gegeten.
schalken afdekken van luiken etc.
tegen overkomend zeewater.
schavielen slijtage ten gevolge van
wrijving, schuring.
schebek lang, smal, zeer scherp gebouwd zeilschip dat vroeger op
de Middellandse Zee in gebruik was.
scheepsmatig bepaling van een toestand,
feit, handel- of bouwwijze die overeenstemt met de geldende opvatting van goed
zeemanschap.
schepel oude inhoudsmaat voor droge waren, een kwart mud (0,25
hl).
scheren een touw door de schijfgaten van een blok steken.
scherp 1. alle soorten kanonskogels. 2. de hoek die het
onderwaterschip bij de voorsteven maakt ten opzichte van de kiel.
scherp brassen de ra’s zo brassen dat er
zo scherp of hoog mogelijk aan de wind wordt gevaren.
scherpgat magazijn of bergplaats voor
de kanonskogels.
schiemannen algemene term voor het
verrichten van werkzaamheden aan het touwwerk.
schiemansgaren garen, vooral van oude kabels
afkomstig, voor het kleden van touwwerk en het maken van bindsels.
schieten strijken.
schieten (zon, ster etc.) met
behulp van een hoekmeetinstrument, zoals de sextant, de hoogte van de zon en
sterren e.d. bepalen voor het opmaken van een astronomisch bestek.
schiften het plotseling veranderen van
de windrichting, meestal bij lichte wind.
schijf geleiderol in een blok waar het touw over loopt. De
schijf draait met zijn bus om een nagel.
schild ezelshoofd van de boegspriet dat de verbinding met de
kluiverboom vormt.
schildpad platte klamp of half blok met
één of meer schijven dat tegen een ra, giek of mast is aangebracht.
schinkel zwaar touw waarmee een takel
wordt verlengd.
schinkelhaak eind touw of ketting met in
het midden een ring en aan de uiteinden een platte haak.
schipper bij de marine een
onderofficier die zich met de navigatie bezighoudt en tijdens gevechten het
schip manoeuvreert; ook de gezagvoerder van een kleiner schip of een
vissersboot.
schoener zeilschip met een scherp
gesneden romp en een langsscheeps tuig van gaffel-, gaffeltop- en stagzeilen.
schoot touw aan de benedenhoek, de schoothoorn, van een zeil om
het zeil in een bepaalde stand te brengen of te houden.
schoothoorn de benedenhoek van een zeil.
schoten laten vliegen een vierkant zeil levendig
laten slaan door de schoten los te laten.
schouw vierkant, open rivierscheepje met een vlakke bodem
(platboomd) en een iets toelopende voor- en achtersteven.
schrikken een touw waar kracht op staat
met rukjes loslaten, ‘een schrikje geven’, waardoor de spanning vermindert.
schrooien het door middel van twee
touwen neerlaten of ophijsen van ronde voorwerpen.
seinen door middel van vastgestelde tekens met vlaggen,
vuurpijlen en schoten e.d. mededelingen of waarschuwingen overbrengen.
seizing eind touw of platte streng waarmee iets wordt vastgezet.
semafoor kusttelegraaf voor het geven
van optische seinen.
sepoy inlandse soldaat in het voormalige Brits-Indische leger.
serang bootsman.
setiezeil trapeziumvormig, langsscheeps
zeil.
sextant hoekmeetinstrument dat van belang is voor de
astronomische plaatsbepaling.
sikkeblok twee blokken van gelijke
grote die boven elkaar in een strop zijn gebonden en waarvan de schijven
in hetzelfde vlak boven elkaar of haaks op elkaar staan.
skiff een lang, smal en heel licht roeibootje.
slaags vallen de kop van een schip bij het
onder zeil gaan laten afvallen tot het schip slaags ligt, d.w.z. in de richting
ligt waarin het kan afvaren.
slaan de zeilen worden door windstoten beurtelings vol en bak
geslagen, of bewegen bij zwakke wind en deining heen en weer zonder vol te
komen, waarbij ze soms met een klap openslaan.
slag 1. afstand die een laverend schip zonder wenden aflegt.
2. elke winding waarmee een touw opgewonden of ergens omheen is geslagen.
slag, ronde - in de kabel bij twee
uitgezette ankerkabels zijn de kabels door het zwaaien van het schip twee of
meer malen onder en over elkaar gedraaid.
slagroeier achterste roeier.
slagverband plaats waar de gewonden
worden verzorgd.
slampamper dik touw dat in het kabelgat
met de ene kant wordt vastgemaakt aan het uiteinde van de ankerkabel en met de
andere kant aan een ringbout.
slaplijn een van de gordings van een
vierkant zeil.
slede onderstel van een carronade.
slegge zware houten hamer.
slingeren zijdelingse beweging, waarbij
de zijkanten van het schip telkens naar het water toe buigen en weer
omhoogkomen.
slingerlamp hanglamp die in een cardan is
opgehangen waardoor de lamp steeds verticaal blijft.
slingerlatten lijst of lijstwerk rond een
tafel om te voorkomen dat serviesgoed e.d. bij zwaar weer op de grond valt.
slingerpardoen pardoen die de mars-, bram of
bovenbramsteng tegen sterke loefdruk steunt.
slippen een touw of kabel loslaten en laten uitlopen.
sloep 1. bijboot van een groter schip. 2. klein scheepje met
één mast en een langsscheepse tuigage dat breder dan een kotter is, maar
minder diep ligt.
sloeppaai bevaren matroos die een boot
bestuurt, altijd met het sloepvolk moet klaarstaan en na de commandant het bevel
voert.
slonsje dievenlantaarntje.
slooiknieën lange, liggende knieën die
aan weerskanten ter zijdelingse steun tegen de scheg zijn aangebracht.
slotgat dwars gat in het onderste stuk van een steng waar het
slothout doorheen wordt gestoken, dat dan op de langszalings van de mars rust en
de steng omhooghoudt.
slothout vierkant stuk hout dat in het
gat onder in een steng wordt gestoken om deze vast te zetten.
smarten touwwerk met stroken oud zeildoek, smarting, omwinden om
slijtage te voorkomen.
smeerprop houten plug om door
voltreffers ontstane gaten te stoppen.
snauw klein scheepje dat getuigd is als een brik maar tussen de
mars en het dek een dunner rondhout of
snauwmast achter de grote mast voert, waaraan het brik- of snauwzeil wordt
gehesen.
snuit werk, oud geplozen touwwerk
soldatengat het gat tussen de zalings van
een mars, waar de top van de mast en de onderkant van de steng doorheen lopen;
zo genoemd omdat de zeeman het beneden zijn waardigheid achtte om hierdoor de
mars te bereiken; dat deed hij via de puttings.
Spaanse ruiter soort dubbele stampstok in
V-vorm.
span oude lengtemaat, 2 decimeter.
spant een van de dwarsscheeps geplaatste verbanddelen die mede
het geraamte van een scheepsromp vormen.
spardek licht, boven het hoofddek gelegen dek.
spekken korte kabelgarens dicht bij elkaar door een stuk zeildoek
e.d. steken.
spiegel het (bijna) platte vlak dat het achterschip afsluit.
spiegelboog het bovenste deel van de rijk
versierd bovenlijst van het achterschip.
spiegelwrang zware, dwarsscheepse,
horizontaal over de achtersteven geplaatste balken die het spantwerk van de
spiegel vormen.
spier licht rondhout waaraan een zeil wordt uitgezet.
spil gangspil die met behulp van handspaken door mankracht
word aangedreven en wordt gebruikt voor zwaar werk, zoals het hieuwen van het
anker.
spinnenkop aantal dunne touwen die zich
vanuit één punt, bijv. een blok hout of een ring, uitspreiden.
splinternet net dat voor een gevecht een
stukje boven het dek word gespannen ter bescherming tegen vallende blokken en
splinters e.d.
splitsen twee touwen met elkaar
verbinden door de strengen uit elkaar te draaien en op een bepaalde manier in
elkaar te vlechten.
spoor zware houten klos die de onderkant van de mast moet
dragen en de druk ervan over meerdere spanten moet verdelen.
spoorstok dwarse plank of stok onder in
een boot die als voetsteun dient.
spring tros vanaf het achterschip naar de ankerkabel waarmee
het schip in een bepaalde richting kan worden gedraaid.
springanker klein anker dat wordt
gebruikt om met een spring onder zeil te gaan of van een hoge wal weg te zeilen.
springluik een luik in een groter luik
waardoor iemand naar binnen kan zonder dat het hele luik open hoeft.
springpaard een van de verticale einden
touw die aan de ra zijn bevestigd om het paard, de lijn onder de ra waar de
matrozen op staan, op te houden.
springtij* getij met het hoogste verval
dat dicht bij volle- en nieuwemaan voorkomt, wanneer de getijgolven van de zon
en de maan elkaar versterken.
sprong aftrede, dwarsscheepse onderbreking van een dek.
spuigat gat in de verschansing of het dek voor de afvoer van
regen- en zeewater.
staande koelte wind die lange tijd steeds
met dezelfde kracht uit dezelfde richting waait.
stag zwaar touw dat de masten en stengen naar voren steunt.
stagen een mast door middel van stagen en hoofdtouwen voor- en
zijwaarts steunen.
stagzeil langsscheeps zeil dat wordt
gevoerd aan een stag en ook naar de betreffende stag wordt genoemd
(voorstengenstagzeil etc.).
stampen een langsscheepse beweging, waarbij het schip telkens met
het voorschip in het water duikt en weer omhoogklimt.
stampstok verticaal onder de boegspriet
uitstekende uithouder om de stagen van de kluiverboom naar onderen te steunen en
te leiden.
stangkogel twee kogels die door middel
van een stang zijn verbonden.
station standplaats, post van een of meer oorlogsschepen.
steek iedere goede, tijdelijke verbinding tussen twee einden
touw onderling of van een touw op een voorwerp.
steken een eind of kabel verlengen door er een andere aan vast
te maken.
stellen tuig, kanon etc. klaarmaken voor gebruik.
stelwig wigvormige houten klos waarmee dek kanonsloop hoger wordt
gericht.
steng rondhout waarmee een mast of steng wordt verlengd: na de
ondermast volgt de mars-, de bram-, de bovenbram- en de scheisteng.
stengenwindereep touw waarmee een steng wordt
opgezet of geschoten.
stijf een schip dat niet gemakkelijk overhelt en als dat toch
gebeurt weer snel in de oude toestand terugkeert.
stijf zetten het strak doorhalen van
hoofdtouwen, pardoens en stagen bij het tuigen van een mast, of de loos, de
losse bocht, uit een touw halen.
stijl verticale balk.
stiltegordel gebied van lage druk aan
weerszijden van de evenaar, tussen de passaatgebieden, waarin stiltes en lichte
koeltes voorkomen, afgewisseld met bien, zware regen en onweer.
stilwater overgang van eb naar vloed of
omgekeerd.
stok dwarsbalk boven aan de schacht van het anker.
stoop oude inhoudsmaat, 2,8 liter.
stootgaren* garen waarmee het zeil op de
ra is samengebonden zonder dat het is beslagen, zodat het zeil met enkele rukken
kan loskomen en snel kan worden bijgezet.
stoottalie takel ter beveiliging van het
roer, om de schokken en stoten van zware zeeën op te vangen.
stopanker anker van middelmatige
grootte dat achter het schip wordt uitgezet.
stopkistje klein kistje voor
persoonlijke bezittingen en naai- en stopgerei.
stoppen zeil met garen op de ra samenbinden, maar zonder het te
beslaan, waardoor het met enkele rukken loskomt en onmiddellijk kan worden
bijgezet.
stopper touw dat moet voorkomen dat een tros of ankerketting
verder uitloopt.
stormfok klein, van zwaar doek
vervaardigd zeil dat als stormzeil wordt gebruikt of in zwaar weer de gewone fok
moet vervangen.
stormzeil van zeer zwaar doek
vervaardigd zeil.
stormzeilen alle zeilen die tijdens zwaar
weer kunnen worden bijgezet, zoals bijvoorbeeld een dubbelgereefd marszeil.
stoten met de kiel of het vlak van het schip de grond raken
zonder vast te lopen.
streek kompasstreek, elk van de 32 streken of windrichtingen die
op een kompasroos zijn aangegeven.
striets een gestel van twee talies om grotere kracht uit te
oefenen.
strijken
de roeiriemen in de tegengestelde richting bewegen van die waarin met aan
het roeien was.
strijken, in het hol - de ra’s en stengen tot op
het dek strijken om bij storm de windvang te verminderen.
strop een touw waarvan de einden aan elkaar zijn gesplitst en
die om lasten wordt geslagen.
stuik de rechte of schuin afgezaagde kop van een plank of balk.
De koppen van twee tegen elkaar liggende planken vormen een stuiknaad of stuik.
stuk kanon, vuurmond.
stuur houden voldoende snelheid in het
schip houden, zodat het naar het roer luistert.
stuurboord de rechterzijde van een schip
wanneer men met het gezicht naar de voorsteven gekeerd staat.
stuurlastig het achterschip ligt dieper
dan de kop.
stuurman officier die belast is met de
navigatie en die de roerganger de nodige aanwijzingen geeft.
stuurreep touw waardoor het roer van
een groter schip met het stuurrad is verbonden.
stuurstreep een in de kompasketel
aangebrachte lijn, die precies in de lengteas van het schip valt.
stuurtakels twee talies die men bij zwaar
weer of voor het gevecht klaarlegt om de functie van de stuurreep over te nemen
als die zou breken.
stuwen ballast, vracht en ook het scheepsinventaris ordelijk en
zeevast in het ruim of de daartoe bestemde ruimten onderbrengen.
syzygie* gemeenschappelijke naam voor conjunctie en oppositie van
de zon en de maan.
takelaar tuiger die een schip an het
nodige tig voorziet.
talie takel om lasten op te lichten of te verplaatsen.
talreep touwsjorring voor het stijfzetten van stagen etc.
tamp het uiteinde van een touw.
tap korte as die aan beide zijden van de loop van een kanon
zit en waarmee het stuk in de uitholling in het rolpaard ligt.
tartaan een met latijnzeilen getuigd vrachtschip van de
Middellandse Zee dat ook geroeid kan worden.
teers zware hardhouten marlpriem die wordt gebruikt bij het
openen van zwaar touwwerk om dat vervolgens te splitsen.
tegen- en volbrassen de ra’s worden zo gebrast
dat de zeilen afwisselend bak en vol staan, waardoor het schip op zijn plaats
blijft of afwisselend voor- en achteruit vaart.
tegenbrassen zo brassen dat de wind van
voren in de zeilen valt en ze tegen de mast drukt.
tienduimer spijker van tien duim
ongeveer 25 centimeter.
tier horizontale laag vaten, kisten etc. zoals die naast
elkaar in het ruim zijn gestuwd.
toebloks zitten niet verder kunnen, in een
benarde positie verkeren.
top, in - een zeil is in top wanneer
het volledig is gehesen, de schoten zijn aangehaald en het klaar is om naar de
wind te worden gebrast.
top en takel, voor - voor een storm bijliggen met
alle zeilen geborgen, waardoor de wind alleen op het tuig kan inwerken; vaak
worden ook de stengen geschoten.
toppenant touw waarmee de ra's
horizontaal worden gehouden of juist in een schuine stand worden gezet.
topzeil razeil aan de voorkant van de steng van een
topzeilschoener of aan de fokkenmast van een anderhalfmasttuig. Het wordt ook
wel marszeil genoemd.
topzwaar schip dat door te veel
gewicht of een te grote omvang van de tuigage gemakkelijk zou kunnen kapseizen.
torn 1. bevel om bij het loggen de zandloper te keren. 2.
beurt om wacht te lopen of als roerganger dienst te doen.
touwwerk alle touwen die bij de
tuigage van een schip horen, zowel het lopend als het staand want.
trabacalo kleine Italiaanse
kustvaarder.
tramontane mistralachtige noorden- en
noordwestenwind in de golf van Lion.
trekken eigenschap van zeilen die door de wind bol staan en het
schip met kracht in beweging brengen.
trenzen de groeven tussen de strengen van zwaar touwwerk met een
dunne draad opvullen om een glad oppervlak te laten ontstaan.
trimmen ra's, gaffels en zeilen in de gewenste stand brengen.
tromp enigszins breed uitlopend mondstuk van een kanon.
tui touw om iets, vooral een staande paal, rechtop te houden
en vast te zetten, te tuien.
tuianker een van de twee grote ankers
die klaar voor gebruik onder de kraanbalk worden gevoerd.
tuig alles wat bij een bepaald scheepsonderdeel hoort om dat
gebruikskaar te maken.
tuigplan schematische tekening van het
tuig met aanduidingen voor de plaats, samenstelling en helling van de masten, de
afmetingen van ra’s en masten, en het zeiloppervlak e.d.
tuingat gat in de verdikking boven in de mast of steng, onder de
top, waar een val doorheen wordt geschoren.
tweedekker een schip met twee
geschutlagen.
uil vangen de zeilen slaan tegen de mast
door een rukwind uit een andere hoek, maar vooral door onoplettendheid van de
roerganger.
uitenteren vanuit het midden van de ra
over het eronder hangende touw naar de uiteinden lopen.
uiterton laatste ton of baken op weg
naar open zee of de eerste bij het aanlopen van het land.
uithalen 1. harder roeien. 2. de
boelijn strak aanhalen om het loeflijk tijdens het aan de wind zeilen zo stijf
mogelijk te zetten.
uithouder voorziening om een touw,
rondhout of zeil op enige afstand van iets te houden.
uitlopen zie: uitenteren.
uitreden een schip volledig uitrusten
en bemannen; men kan een schip uitreden als kaper, ten oorlog of als
koopvaarder.
uitrijden een storm uitrijden door het
schip achter zijn (zee)anker met de kop in de wind en op de zee te leggen tot
het weer verbetert.
uitslaan de lijnen van een scheepsplan
op natuurlijke grootte op de vloer tekenen om er mallen van te maken.
uitsteken 1. de rifknuttels van een
gereefd zeil losmaken om een groter stuk doek aan de wind bloot te stellen. 2.
het uitvieren van een kabel of ketting.
uitweven van het want de dwarstouwen in het want,
de weeflijnen, aan de hoofdtouwen bevestigen.
uitzingen het uitroepen door de loder
van de waterdiepte die hij meet.
vaam/vadem een lengtemaat van zes voet,
ongeveer 1,8 meter.
val touw waarmee een zeil, ra of vlag gehesen of gevierd
wordt.
valling voor- of achterwaartse helling van de masten.
valreep een reeks tegen de huid gespijkerde klampjes om aan boord
te klimmen.
valwind wind die door een hindernis als een kaap of eiland in een
andere richting gaat waaien dan de normale windstreek.
vanglijn touw dat aan een ring op de
voorsteven van een boot wordt vastgemaakt om het vaartuig te meren of te slepen.
variatie afwijking van de kompasnaald
door het aardmagnetisme.
varken watervat van ongeveer 300 liter.
varsebalie kuip waarin vlees e.d. aan
boord wordt gespoeld om overtollig zout te verwijderen en de voedingswaren zo te
verversen.
vast bevel om met iets op te houden.
verband* het geheel van kiel, stevens, balken etc. dat een schip
zijn sterkte geeft en bij elkaar houdt.
verdubbelen van een dubbele huid
voorzien.
verhalen een schip met behulp van
trossen op de wal en/of lichte ankers van de ene ligplaats naar een andere
trekken.
verheid afstand die een schip in een bepaalde tijd heeft
afgelegd.
verkoperen de scheepshuid onder water
met koperplaten beslaan om aangroei tegen te gaan en haar tegen paalworm te
beschermen.
verlijeren naar lij afzakken.
vernagelen een bout met geweld in het
zundgat van een kanon drijven om het stuk in elk geval tijdelijk buiten gebruik
te stellen.
verschansing beplanking rond het opperdek
die voorkomt dat de golven over het dek spoelen en dat er bij storm
bemanningsleden overboord slaan.
vertuien met twee ankers ten anker
gaan op een smalle rivier of een druk bevaren waterweg waar eb en vloed staat.
vertuining open of gesloten borstwering
rond het bovenste dek.
verwaaid liggen door hevige wind afdrijven of
niet kunnen uitvaren, of in een luwte vervallen en daardoor niet verder kunnen.
vierkant toppen en brassen de ra's
zo brassen dat zij horizontaal en haaks op de kielrichting van het schip staan
om het schip pal voor de wind te laten lopen of, in een haven, ter wille van de
netheid.
vierkant getuigd de zeilen staan dwars op de
lengterichting van het schip en hangen aan ra’s.
vingerling een oog met twee metalen
strippen die aan weerszijden van de steven zijn vastgebout; het roer wordt met
pennen die in de ogen van de vingerlingen vallen, aan het achterschip
opgehangen.
vissen een gekat anker, dat dus al onder de kraanbalk hangt, met
behulp van een vistakel vastmaken en bergen om te voorkomen dat het heen en weer
gaat zwaaien.
vissing versterking van het dek op plaatsen waar er een gat in
moet worden gemaakt voor een mast of pomp.
vistakel zie: vissen.
vizierkorrel kleine kegel op de loop van
een vuurwapen om beter te kunnen richten.
vlagaandeel het aandeel dat een
vlagofficier krijgt van de prijzen die door schepen van zijn eskader zijn
genomen.
vlaggenschip schip van een vlagofficier,
een schout-bij-nacht, vice-admiraal of admiraal, dat diens vlag voert.
vlagofficier stafofficier bij de marine,
een schout-bij-nacht, vice-admiraal of admiraal, die het bevel voert over een
deel van de vloot.
vlak onderkant van een schip langs beide zijden van de kiel en
van voor- tot achtersteven.
vliegen, schoten laten - een
vierkant zeil levendig laten slaan door de schoten los te laten.
vliegend zeil zeil dat vastzit met slechts
enkele lijnen, veel minder dan normaal.
vlieger de voorste kluiver.
vloei driehoekige verbreding aan e armen van een anker.
vluchten de loop van een kanon op een
punt boven de horizon richten.
voet oude lengtemaat ongeveer 33 centimeter.
vol en bij toestand waarbij de zeilen
goed vol staan, maar net niet killen, terwijl het schip zo scherp mogelijk aan
de wind zeilt.
vol(e boeg)een min of meer stomp
voorschip.
volbrassen de ra’s zo brassen dat de
wind volop in de zeilen valt.
volk de bemanning, de matrozen.
volmatroos kloekbevaren matroos, ervaren
matroos die al het werk aan boord kan uitvoeren.
volschip schip met ten minste drie
vierkant getuigde masten.
volslaan de golven slaan over een boot
heen zonder dat het water kan worden weggehoosd, waardoor ze volloopt en dreigt
te zinken of te kapseizen.
voorhalen de schoten van de mars- en
bramzeilen en dergelijke sterk aanhalen.
voorliggen een bepaalde koers volgen.
voorlijk meer van voren.
voorlongroom het verblijf van de
adelborsten.
voorpiek de gehele ruimte in het
voorschip onder het hoofddek, vlak achter de voorsteven.
voorzeilen alle zeilen die voor de
fokkenmast op de boegspriet, kluiverboom of het jaaghout kunnen worden bijgezet.
vrijbuiter zeerover, piraat.
vrijwacht de helft van de bemanning die
wacht te kooi of rust heeft, terwijl de andere helft wacht aan dek heeft.
vuile wind luchtstroom die van een kaap
(of zeil) stroomt en daarachter een afdekkingskegel vormt; die kegel veroorzaakt
op zijn beurt weer een werveling waar een schip veel last van kan hebben.
vuur 1. vuurtoren, lantaarn of lichtschijnsel. 2. bederf in
hout.
vuurkleed natte huiden e.d. die men ter
bescherming tegen vonken en brand over de luiken, in de marsen en over de
barring legt.
vuurkoord langzaam brandende lont.
waarloos extra, reserve.
waarnemingsklok klok die wordt gebruikt om de
tijd te noteren van astronomische waarnemingen om de chronometer niet van zijn
plaats te hoeven halen.
wacht 1. het etmaal is verdeeld in zes wachten: eerste wacht
(8-12 ’s avonds), hondenwacht (12-4 ’s nachts), dagwacht (4-8),
voormiddagwacht (8-12), namiddagwacht (12-4) en de platvoetwacht, die vroeger
vaak in tweeën werd verdeeld (4-6 en 6-8) om de mensen niet steeds dezelfde
wacht te laten lopen. 2. de groep zeelui die samen wachtloopt.
wacht te kooi de helft van de bemanning die
vrij is (de vrijwacht), terwijl de andere helft wacht aan dek heeft.
wachtschip 1. oud, meestal afgekeurd
oorlogsschip dat in een haven ligt en waarop tijdelijk volk huist of rekruten
voor de marine worden opgeleid. 2. klein oorlogsschip dat in een riviermonding
of de ingang van een rede of haven wordt geankerd om daar toezicht uit te
oefenen.
waker windwijzer in de top van de mast.
walslurp scheldnaam voor iemand van de
wal.
want, staand al het zware touwwerk dat de
rondhouten moet steunen en zelden wordt losgemaakt.
wantslag de drie of vier strengen van
een touw, worden eerst elk tegen de zon in, van rechts naar links, geslagen.
Daarna worden ze met de zon mee, van links naar rechts geslagen. De gleuven
tussen de touwen vormen het been van een Z. Trossen zijn in wantslag geslagen.
wapenmeester onderofficier op een
oorlogsschip die belast is met de ordehandhaving; hij wordt bijgestaan door de
provoost.
wassende kaart kaart waarop de
breedtecirkels naar het noorden en zuiden toe geleidelijk groter worden in
verhouding tot de schaal.
wateren iets watert wanneer het geleidelijk achter de horizon uit
het gezicht verdwijnt; het tegenovergestelde is opdoemen.
waterkist ijzeren vergaarbak die in
plaats van vaten wordt gebruikt om de zoetwatervoorraad in het ruim te bewaren.
waterstag stag die van de kop van de
boegspriet naar de voorsteven loopt om dat rondhout in neerwaartse richting te
steunen.
waterstander vat op de bak met het
dagelijks rantsoen water van de bemanning.
waterzeil lang smal zeil dat bij het
voor de wind lopen onder de lijzeilspier of onder de bezaansboom wordt uitgezet.
weeflijn dwarstouwen in het
scheepswant waarlangs de matrozen naar boven enteren.
wegzetten het inwerken van stromingen
op de romp, waardoor het schip wegdrijft.
wenden overstag gaan, over een andere boeg gaan zeilen.
werk oud geplozen touwwerk.
werkboot open bijboot voor het werk
aan en om het schip en het vervoer van goederen en personen.
werken toestand van een schip dat onder invloed van onder andere
wind en golven van vorm verandert, waardoor de naden opentrekken en het schip
gaat lekken.
westenwinden, brave - gordel van overwegend
stormachtige, constant westelijke winden in de zuidelijke Indische Oceaan tussen
40° en 50° zuiderbreedte.
westergang dwars over de bovenkant van
het achterschip lopend balkon, dat soms uit het achterschip steekt en er soms
binnen valt.
wimpel, brede - de extra brede en minder
lange wimpel die door een commandeur, de bevelhebber van een eskader, wordt
gevoerd.
wind en water, tussen - het deel
van de scheepsromp dat op de waterlijn ligt en zich door golfslag, deining etc.
beurtelings boven en onder water bevindt.
wind, van de - weglopen
ruimschoots zeilen, met de wind achterlijker dan dwars, maar niet recht van
achteren in.
wind, aan de - de wind valt voorlijker dan
dwars in de zeilen.
winden een last door middel van een lijn of spil omhooghalen.
windprop houten of kurken prop die in
de mond van een kanon wordt gestoken om het binnenste tegen roest te beschermen.
winterbramsteng* bramsteng met een korte top
die ’s winters wordt opgezet om de windvang te verkleinen.
wipper een eenvoudige takel voor het hijsen van lichte lasten.
wissen de loop van een afgevuurd kanon reinigen met een houten
klos op een lange steel waar een schapenvel omheen zit.
wisser 1. de houten, met een schapenvel beklede klos op een
lange steel waarmee de loop van een afgevuurd kanon wordt gereinigd. 2. de man
die de wisser hanteert.
witte bui hevige wind die onverwacht op
stil weer volgt.
woeling touwbeslag dat rond twee of meer delen wordt gewikkeld om
die bij elkaar te houden.
worst wrijfworst, een eind afgekapt zwaar touw dat als
stootkussen buiten boord wordt opgehangen.
wraak of drift, het dwarsscheeps afdrijven van een schip.
wreed op het roer of loefgierig, eigenschap van
een schip om gemakkelijk de kop in de wind te draaien.
wrikken manier van roeien waarbij een riem in een wrikkende,
achtvormige schroefbeweging heen en weer wordt geduwd om het vaartuig voort te
bewegen.
wulf het boven water overhangende deel van de achtersteven.
yawl een snelle open roei- en zeilboot van de Engelse oostkust
met acht doften voor zestien roeiers.
zaathout een langsscheeps zware balk
die bij wijze van spreken een tweede kiel aan de binnenkant van de romp vormt.
zakdoek van Onze-Lieve-Heer
driehoekig zeiltje dat nog boven het scheizeil en de klapmuts aan de grote mast
kan worden gevoerd.
zakkoek koek van een beslag met krenten en rozijnen.
zaling elk van de elkaar kruisende balkjes, langs- en
dwarszalings, boven aan een mast of steng die de mars dragen of de hoofdtouwen
steunen.
zeeadvocaat iemand die regelmatig graag
namens de hele bemanning meent te moeten spreken.
zeeanker ieder tuig (rondhouten, vaten
of zeilen) dat de kop van een schip op de zee houdt om een storm uit te rijden
en drift tegen te gaan; als het zeeanker over het achterschip wordt uitgezet,
vertraagt het de vaart van het schip.
zeeblaas zeilschip dat goed bij de
wind zeilt.
zeegat vaarweg tussen twee eilanden, kapen etc. die toegang
geeft tot een ander vaarwater, een haven, een rivier e.d.
zeemerk alle bakens, boeien, klippen en opvallende kenmerken
langs de kust e.d. die op zee een teken vormen waardoor de zeeman zich kan oriënteren.
zeemijl afstand van ongeveer 1852 meter, de lengte van een
meridiaansminuut.
zeil de zeilen van een vierkant getuigd schip heten van
beneden naar boven onder-, mars-, bram-, bovenbram- en scheizeil; daar komt
voor-, groot- of kruis- voor te staan al naargelang ze aan de voorste, middelste
of achterste mast worden gevoerd.
zeilplaat leren band rond de middenhand
met een gat voor de duim en ter hoogte van de muis van de duim een geribbelde
ijzeren plaat waarmee de zeilnaald wordt opgedrukt.
zeilree zeeklaar, klaar voor vertrek.
zeilstreek hoek of streek van een
zeilend vaartuig ten opzichte van de windrichting.
zeiltrimmer iemand die de zeilen in de
gewenste stand brengt.
zelling uitholling in de modder van een bank of oever door het
gewicht van een aan de grond liggend schip en door de stroming rond de romp. Ook
de uitholling in de grond waar een anker heeft vastgelegen.
zetgang zware gang, reeks achter elkaar gelegen planken, in de
scheepshuid, waarvan de bovenkant de onderkant of drempel van de geschutpoorten
vormt.
zetweger zware gang die de dekbalken
moet neerhouden; de binnenste tegenhanger van de zetgang.
zijgalerij uitbouw, balkon aan de
zijkant van het achterschip.
zijtalie een takel die aan een
ondermast of stang wordt opgehangen en waaraan allerlei lasten worden
verplaatst.
zinkings aandoening waarbij kwade
vochten naar een lichaamsdeel trekken en daar pijn veroorzaken.
zonnetent dak van zeildoek dat boven
delen van het schip wordt gespannen om de bemanning tegen de hitte van de zon te
beschermen.
zuiger peervormige ring die om een stag wordt geslagen en
waaraan de stagzeilen vervolgens worden vastgemaakt.
zundgat gat boven in het achterstuk van een kanon om kruit te
laden en te ontsteken.
zwaaien een schip zwaait wanneer het door wind of getij
ronddraait om een vast punt zoals een anker of een boei e.d.
zwaard houten bord dat langszij of in de kiel tot onder het vlak
van het schip wordt neergelaten om het verlijeren te beperken.
zwaardoek zwaar zeildoek dat voor de
onderste zware zeilen en bij slecht weer werd gebruikt.
zwabber verkorting van zwabbergast, scheepsjongen.
zwaluwstaartlas verbinding waarbij het ene
eind van een hout als een zwaluwstaart is uitgsneden en in het einde van een
ander stuk hout wordt gevoegd.
zwanenvleugel ene razeil dat aan één kant
is opgegeid en dus slechts half bijstaat.
zwichten de hoofdtouwen van masten en
stengen ter hoogte van de ra's door middel van diverse touwen (zwichtings) naar
elkaar toe halen zodat ze minder breed uitstaan en de ra's scherper kunnen
worden gebrast.
#begin
|