SNOWBOARDEN
air - sprong
alley-oop - sprong die bergwaarts gedraaid moet worden
backcountry - het gedeelte van de piste dat je niet met de lift kan bereiken. Meestal moet je erheen lopen, of je gaat met de heli of pistenbully
backflip - salto achterover
backside air - sprong met je rug de lucht in gericht
base (of beslag) - onderkant van het board waarop gegleden wordt
boardercross - snowboardwedstrijd waarbij een groep van vier tot zes boarders tegelijk zo snel mogelijk een parcours afleggen
boardslide - trick waarbij je het board 90 graden draait en op de coping van de halfpipe glijdt
bonen - uitstrekken van je been bij een air
bonken - over een hindernis springen en deze toch nog even aanraken
canadian bacon - sprong waarbij je achterom tussen je benen door met je achterste hand
de frontside kant van je board pakt
chicken salad - sprong waarbij je met je achterste hand tussen je benen door
de backside kant van je board pakt en je voorste been uitstrekt
chillen - ontspannen
cliff jump/cliff drop - sprong van een hoge, steile afgrond/heuvel, meestal rots
coping - rand van de halfpipe waar het roll out deck aan vastzit
couloir - smalle doorgangen tussen twee rotswanden
double grab - 2 tricks in 1 sprong doen (ook wel 'doubles', of 'double trouble' genoemd)
edge - stalen kant aan de zijkant van het board waarmee je bochten maakt
fakie - achteruit snowboarden
five forty - sprong waarbij je 540 graden draait in de lucht
flat-bottom - platte stuk tussen de twee walls van de halfpipe
freeriding - vrijuit snowboarden
freestyle - term die gebruikt wordt voor het doen van tricks in de halfpipe en op de piste
freestyleboard - snowboard dat zeer flexibel is en een omhoogstaande nose en tail heeft,
geschikt om mee te freestylen
frontside - met je gezicht naar de berg
funpark - een soort speeltuin met halfpipe voor snowboarders
G, giant slalom - wedstrijd vorm ruim gestoken slalom
goggles - sneeuwbril
goofy - stand waarbij je rechterbeen voor staat. Je bent dan Goofy
grab - het pakken van je board bij een trick of air
guards - beschermers voor je arm of been tegen slalompalen
halfpipe - van sneeuw gemaakte halfronde buis waarin tricks gedaan worden
handplant - invert
hard boots - (erg) flexibele soort skischoen van hard plastic speciaal voor snowboarden
highbacks of lowbacks - het deel van de softbinding dat tegen de achterkant van
het onderdeel rust. Een highback, dus hoog achtergedeelte, geeft de mogelijkheid
om meer druk uit te oefenen. Een lowback geeft meer bewegingsvrijheid.
hit - een schans of voorwerp waar de snowboarder overheen kan springen of een kunstje
kan uithalen
indy - sprong waarbij je met je achterste hand de frontside van je board tussen je benen pakt
inserts - gaten die al geboord zijn met schroefdraad voor de montage van bindingen
japan
air - mute gepakte
backside air
jibben - spelen op de piste
junp ramp - schans
kneepads - kniebeschermers
lean - rocket air aan de backside gepakt met je voorste hand bij de nose gepakt
B - vangriem die aan het board en het been vastzit
lip - de rand (coping) van de halfpipe.
liptricks - tricks in de halfpipe waarbij je geen airs maakt
method - backside tweak air
mute - sprong waarbij je met je voorste hand de frontside van het board
voor je voorste voet pakt
nose - neus, bovenkant van het board
non-skid mat - matje van rubber dat op het board zit, meestal tussen de bindingen
om op te staan als je in de lift gaat
nose ride fakie - op je nose naar beneden glijden
nose roll - over je nose 180 graden to fakie draaien waarbij alleen de nose de sneeuw raakt
off piste riding - buiten de piste snowboarden
ollie - sprong waarbij je je gewicht eerst naar achteren verplaatst zodat de nose omhoog komt en dan krachtig afzetten zodat je los komt (meestal op de piste gebruikt als er geen hobbels zijn)
plate binding - binding voor een hard boot
powder - poedersneeuw
pushen/pompen - beweging die je maakt in de halfpipe om snelheid te krijgen, door de benen te strekken en te bewegen
quarterpipe - 1 wall van de halfpipe
re-entry - terug de halfpipe ingaan in een run
regular - als je met je linkerbeen voor op je snowboard staat (je bent dan regular)
rijden - snowboarden
roll out deck - bovenkant van de halfpipe waar je op kan lopen
run - serie sprongen tot het einde van de halfpipe, of een slalom die je gesnowboard hebt
side cut - het verschil in breedte tussen de nose, het midden en tail
slalom - wedstrijdvorm waarbij je een bepaalde route om palen heen moet snowbaorden
slam - harde val
sliden - zijwaarts glijden
snaken - voor je beurt een run maken
soft boots - zachte schoenen om mee te snowboarden
stiffy - indy air met beide benen gestrekt
strap - gesp die op de buckle- of freestyle- binding zit om de soft boot vast te maken
super G - wedstrijdvorm, tussen afdaling en reuzeslalom in waarbij je een bepaalde route oet snowboarden, gemarkeerd door slalompalen
tail - achterkant van het snowboard
tai pan - sprong waarbij je met je voorste hand achterom tussen je benen de frontside van het board pakt en je voorste knie naar je board drukt.
tracks - sporen in de sneeuw
transition - de overgang van flatbottom naar verticaal in een halfpipe of quarterpipe, m.a.w. de kromming
tuning kit - pakketje met alle benodigdheden om je board te shapen, zoals een vijl, wax, schroevendraaier etc
tweaken - verdraaien van je lichaam en board bij een air
vertical - verticaal gedeelte aan de bovenkant van de halfpipe
wall - kant van een halfpipe of quarterpipe
wax - middel dat je onder je snowboard op het beslag smeert om snel te kunnen glijden